Vijf uur ’s morgens. De koude zit nu tot op mijn ruggengraat. Was ik net even in slaap gevallen? Waarschijnlijk niet. Dit moet Clorinda zijn. De grensstad tussen Argentinië en Paraguay. Die stempel in mijn paspoort zegt me op dit moment weinig. Want dat wil zeggen dat ik van onder mijn Iberia-dekentje moet kruipen, uit de bus moet stappen, en in de koude naar de douane moet wandelen. Uit Argentinië. Mijn nieuwe liefde die ik nu al mis. Ik ben verliefd op al haar mensen en al haar schoonheid. In Paraguay. Na wie alles veranderde en met wie ik een haat-liefde verhouding heb. De beste tijden van mijn leven, maar ook de slechtste, waren hier.
Clorinda stinkt. Naar gas, brand, pis en sigaretten. “Cambio! Cambio Pesos, Dolares, Euros!” “Chipa, chipa, rica, chipa!” “Café con leche, Señorita?” Iedereen wil wel iets verkopen aan de eerste bus die vandaag de grens oversteekt. Het is nog donker en alleen door de modder geraak ik aan het douanekantoor. De douaneofficiers zitten strak in het uniform. Klaar voor de oorlog. Mitraillette op de schouder. Toch ben ik te moe om me erg onveilig te voelen op deze miezerige, louche plaats. De bus was te koud om te kunnen slapen en de voorbije dagen en nachten was dat er ook amper van gekomen. Met het afscheid dat gevaarlijk dichtbij kwam, wilde ik geen moment missen. Als ik kon zoog ik Buenos Aires helemaal op. Ademde ik het allemaal in. En nam het meer naar huis. Ik koop warme, verse, echte Paraguayanse Chipa, want ik heb honger. En zo begon ‘Paraguay, part two’.

De zon komt op terwijl de bus Paraguay in rijdt. Zonsopgangen doen me altijd wel iets. Ik ben zelfs bijna ontroerd. Alsof die eerste zonnestralen een laagje honing over dit lelijke land leggen. En dan sta ik weer voor de deur van mijn gastfamilie. Vier jaar geleden stond ik voor diezelfde deur. Op een moment dat ik dacht dat alle Paraguayanen hypocriete leugenaars waren. Zij bewezen mij het tegendeel, namen me in hun armen en noemden mij hun dochter. Nog voor ik kan aanbellen gaat de deur al open. Er wordt gekust en omhelst. En er wordt snel gepraat, want alles van de voorbije vier jaar moet gezegd worden. Na bijna vier maanden in Buenos Aires te wonen, praat ik als een echte Porteña. Het zangerige, zeurige Paraguayaanse accent vind ik een beetje gek klinken. “Wat praat je raar”, zegt mama Betty.
Ook met Arturo, mijn gastbroer uit Villarrica, is het weerzien als één grote woordenstorm. We praten en praten en dan nog wat meer. Al die tijd moet ingehaald worden, geen seconde te verliezen. Laat in de nacht vraagt hij of ik met hem wil trouwen. Of dat dacht ik toch. Dat Spaans zorgt wel meer voor communicatiestoornissen. Voorzichtig begin ik hem uit de leggen dat ik dat toch niet zie zitten. Dat ik hem als een grote broer zie. Maar dat vroeg hij natuurlijk niet. Hij had het over kerkklokken, witte lintjes, rijst en ware liefde voor eeuwig en altijd. En of ik daarin geloofde. Arturo wordt volgend jaar dertig en iedereen vraagt hem waarom hij nog niet getrouwd is. Wereldwijd lijken (bijna-) dertigers onder een enorme sociale druk te staan om te trouwen. Met Barry, 30, uit Ierland, Josh, 29, uit VS en Philippe, 31 uit Zwitserland had ik hetzelfde gesprek.
Arturo is ondertussen afgestudeerd als dokter en is zich nu aan het specialiseren op de neurologieafdeling. Om zeven uur moet hij beginnen werken. Om zes uur brengt hij mij naar huis, zodat hij toch nog kan douchen voor hij aan zijn shift begint. Ik besluit solidair te zijn en ook niet meer te gaan slapen. Ik maak mijn rugzak weer klaar en vertrek. Weer de bus op. De grens over. Overstappen op een andere bus. Op naar Salta.
Het Noorden van Argentinië schuift voorbij. In elk godvergeten dorp stopt de bus om mensen op te pikken of af te zetten. De meeste van die dorpjes zijn niet meer dan een paar onverharde straten, een kerk, een slager, een bakker, een kerkhof en een bushalte. Zeventien uur zou de reis moeten duren, dus probeer ik het mij gemakkelijk te maken. Dat lukt niet in een semi-cama bus, maar daar wen je aan. De man naast mij ziet er uit als een indiaan en is dat waarschijnlijk ook. Ik ben moe en probeer te slapen. Maar Winnetou denkt daar anders over. Hij vraagt of ik ver reis. “Wat is ver?” Vraag ik. “Ga je uit de provincie?” “Ik kom van Asunción en ga naar Salta”, zeg ik, want ik heb geen flauw idee in welke provincie we zijn of naar welke ik ga. Voor de man is het de eerste keer dat hij uit zijn provincie reist. Hij gaat naar het platteland rondom Salta om daar werk te zoeken in de tabaksteelt. De man is duidelijk zenuwachtig voor dit grote avontuur. Ik wens hem veel geluk als hij uit de bus stapt. Hij lacht zijn bruine tanden nog eens bloot.
Rond elf uur vertraagt de bus en stopt in wat een file lijkt. “Ik dacht het wel”,zegt de indiaan, “corta de ruta”. Een wegonderbreking. De Indígenos willen hun land terug. Het werd jaren geleden veel te goedkoop verkocht aan petroleum-multinationals en ze willen nu op z’n minst een deel van de opbrengst. Uit protest blokkeren ze regelmatig de wegen in het Noorden van Argentinië. We zijn in the middle of nowhere. Geen huizen, geen dorpen, geen licht. Niks. De blokkade gaat nog tot vier uur de volgende ochtend duren. De meeste mensen stappen even van de bus. Dat is de enige manier om je benen eens even helemaal te kunnen strekken. Als ik uitstap zegt de chauffeur mij dicht bij de bus te blijven. Er zijn al verschillende doden en gewonden gevallen bij dit soort wegblokkades. Gefrustreerde chauffeurs die het wachten beu zijn, krijgen het aan de stok met de ‘Picketeros’. De Indígenos hebben niets te verliezen en bewaken de blokkade met hun leven. Sommige chauffeurs rijden hen gewoon omver.

Ik beloof de chauffeur niet te ver weg te gaan en stap uit de bus en kijk omhoog. Dit heb ik nog nooit gezien. Duizenden, miljoenen, biljoenen, triljoenen sterren. Zelfs de Melkweg kan ik zien. Ik spring en wijs naar een vallende ster. Zo snel ik kan doe ik een wens. Niemand lijkt onder de indruk. “Is het de eerste keer dat je een vallende ster ziet?” “Ja! Ja, daar”, roep ik nog steeds opgewonden. Die nacht zie ik nog vier vallende sterren.
De beloofde zeventien uur werden er uiteindelijk iets meer dan dertig. Stinkend, zwetend en met vettig haar strompel ik uit de bus. Carina, het schaap, had geen enkel van mijn berichten aangekregen en had de hele dag staan wachten op mij. Ze kwam van Buenos Aires en was om half zeven die ochtend aangekomen. Ik zou om kwart voor zeven die ochtend aankomen en we zouden op elkaar wachten in de busterminal. Ons feilloos plan had dan toch gefaald. Carina, die van nature al de zenuwachtigheid zelve is, kan zulke onverwachte situaties niet aan. Ze dacht dat ik ontvoerd, vermoord en ik stukjes gekapt was. Het angstzweet was haar uitgebroken, en ze had het al zo warm. In het Noorden van Argentinië heerst er een Dengue-epidemie waar Carina als de dood voor is. Zelfs in Buenos Aires gebruikt ze liters muggenspray. Zij zou maar eens het eerste geval in de hoofdstad moeten zijn. Op de warmste uren van de dag, tussen 11 uur ’s morgens en 17 uur ’s avonds is de kans het grootst dat een Dengue-mug je prikt. Voor de zekerheid draagt Carina dag en nacht lange mouwen en lange broeken. Haar ‘normale’ assortiment muggenspray heeft ze nog maar eens uitgebreid en ze gebruikt er nu zo veel van, dat ik denk dat ze eerder van een overdosis muggenspray zal sterven dan van Dengue. Dat autistische kantje van haar heeft natuurlijk ook voordelen. Ze screent alle reiswebsites en weblogs en vindt altijd het beste hostel. Ze leert ook altijd het stratenplan van de stad waar ze naar toe reist uit het hoofd. Dus wist ze meteen de snelste weg naar het hostel. Ik volg gewoon en zing de soundtrack van Gilmore Girls. “Where you lead, I will follow. Any anywhere,….”
Zoals gewoonlijk is het hostel dat Carina heeft uitgekozen perfect. Warme douches, propere lakens, gezellige patio met hangmatten, gratis internet en een bar. De andere backpackers in het hostel zijn hippie-gewijs één grote familie. Er wordt Spaans, Engels, Duits, Frans, Portugees gesproken. Alles door elkaar. En op één of andere manier verstaat iedereen elkaar. Ik raak aan de praat met Diego, een Uruguayaan die al jaren in Córdoba –Argentinië- woont. Twee jaar geleden had hij een ongeval met zijn moto en moest hij opnieuw leren lopen. Hij had zichzelf beloofd dat als hij weer kon lopen, hij de wereld zou rondreizen. Salta was de eerste stop in zijn wereldreis. Terwijl Diego een jaar lang zijn bed niet uitkon had hij op het wereldwijde web ‘Couchsurfing’ leren kennen. Het ‘concept Couchsurfing’ gaat helemaal om love, peace and understanding. Je maakt een profiel aan op de website en zoekt dan naar mensen in de stad waar je heen gaat. Als je krap bij kas zit kan je op iemand zijn zetel blijven slapen. Je kan ook gewoon met iemand afspreken die je dan zijn stad laat zien. Zo kom je op plaatsen die je als toerist nooit had gevonden en leer je de cultuur écht kennen.
Diego had die avond met Anna afgesproken via Couchsurfing. Ze zou om half tien wachten in de Plaza 9 de Julio en ze zou een hoed dragen. Na een spelletje ‘wie zoekt die vindt’ vond ik als eerste het meisje met de hoed. Ze nam ons mee naar een bar net buiten het centrum. Weg van de toeristen met sandalen en veel te hoog opgetrokken witte sokken. In de bar bracht iedereen zijn eigen gitaar of djembé mee en zong. Typische salsamuziek uit de Salta en Juyuy streek. Wie de tekst niet kent, klapt mee met het zwoele ritme. Hier en daar danst een ouder koppel. Een verlegen opaatje neemt zijn gitaar. Hij zingt een serenade en heeft een stem als een klok. De volgende ochtend moeten we er om 6 uur uit voor een trip naar Cafayate. Om half drie moeten we echt vertrekken als we nog een beetje willen slapen.
Met onze slaapkop vergeten we de volgende ochtend onze voucher voor de geplande bustrip. Leo, de tourguide met dienst die dag, vond het allemaal niet erg. “Tranquila chicas. No hay problema.” Hij loodst ons door de rode bergen tot in de keel van de duivel. “Als je daar kijkt kan je met een beetje verbeelding een kikker in de bergen zien. En als je je hoofd schuin houdt, lijkt die berg daar een Indiaan. En dat stukje berg dat er daar uitsteekt lijkt op de Maagd Maria.” Het is als naar figuurtjes zoeken in de wolken, maar hoe hoger we gaan en ijler het wordt, hoe meer we zien. Leo leert ons halfweg hoe we cocabladeren moeten kauwen tegen hoogteziekte. Cocablaadjes zijn volledig legaal trouwens. Je kan kleine zakjes met gedroogde cocablaadjes kopen in alle winkels. Om 1 gram cocaïne te maken hebben ze 9 kilo cocabladeren nodig. Dus het kleine beetje dat je binnenkrijgt door cocabladeren te kauwen heeft helemaal niet het hetzelfde effect als de drug.

De volgende dag nog een excursie gedaan naar de Andes. De route van de tren de las nubes gevolgd tot aan de grens met Chili. Dat is de hoogste trein ter wereld, maar mocht een paar jaar niet rijden omdat hij in zo’n slechte staat was. De volgende dag zou de trein voor het eerst weer rijden, maar dat was te laat voor ons. In een dorpje vlakbij de grens op meer dan 3000 meter hoog hadden we lunch. Sla met patatten was het enige vegetarische alternatief voor het dagmenu: lama-schnitsel. Via de beruchte ‘ruta cuarenta’ (route 40) reden we van daar verder naar de Salinas Grandes. Indrukwekkende oneindig uitgestrekte zoutvlakten. Erg fotogeniek, maar zoals wel vaker bij dit soort natuurwonderen, verveelt ook dat me weer snel. De bus reed nog even verder de Andes in, op naar het hoogste punt op 4170 meter boven de zeespiegel. Op zo’n hoogte moet je heel traag stappen en bewegen. Je hoofd wordt helemaal licht, een beetje alsof je te veel gedronken hebt.

Het spannendste van de hele dag vond ik de race terug naar beneden. Om tien uur was de laatste bus naar Córdoba en die moést ik halen, anders moest ik tot de volgende ochtend in de busterminal wachten. De chauffeur zet met om kwart voor tien af aan de deur van de busterminal, om tien voor tien koop ik mijn ticket, als ik het juiste platform gevonden heb komt mijn bus net aan. Perfecte timing. Op de bus zitten maar zes andere mensen. Ik heb mijn lievelingsplaatsje dus nog kunnen bemachtigen: helemaal vooraan op de bovenverdieping. De bus wiegt zachtjes, de zetels zijn ongelooflijk mals en kunnen bijna helemaal plat liggen. Een panoramisch zicht op de zon die opkomt boven de mistige Sierra’s van Córdoba is het eerste wat ik zie als ik wakker word.
In Códoba heb ik zondagmiddag afgesproken met Gabriel via Couchsurfing. Carina is verder gereisd naar de watervallen van Iguazú, maar die heb ik vier jaar geleden al eens gezien, dus zocht ik nieuw gezelschap in Córdoba. Het is lekker warm in Córdoba, dus we drinken frisse pintjes op een terrasje. ’s Avonds pikt Gabriel me op om mee naar zijn vrienden te gaan. De volgende dag (25 mei) is de dag van de revolutie, en dus een dag congé payé. Gabriels vrienden (bijna allemaal studenten journalistiek) trakeren me op pizza en bier bij één van hen thuis. Ze kijken naar de finale van het basketbalkampioenschap. Underdog Córdoba wint van grote broer Buenos Aires. Feest!
Een ex-flatgenoot uit Buenos Aires had me aangeraden om in Códoba zeker eens naar Alta Garcia te gaan, het dorp waar Ernesto ‘Che’ Guevara opgroeide. Gabriel, Damian en Jorge gaan mee. Zo heb ik drie persoonlijke gidsen die alles weten over de hele streek. We rijden door de perzikenvallei en komen voorbij het slechtste dorp van de hele wereld. Er is een gevangenis, een vuilnisbelt een kerk en een schooltje. Daar wil je niet wonen. In Alta Garcia gaan we naar het huis waar Che woonde. Het is nu een museum, en voor vijf Peso kan je zien op welke wc Che Guevara gezeten heeft. In de tuin waar Che vroeg voetbalde, is nu een giftshop waar je een replica van zijn baret, posters, en vlaggen van Che kan kopen. El Che draait zich volgens mij om in zijn graf bij zoveel commerce.
We rijden nog wat rond door de bergen. Op en neer. Wieeeh! Dat moet plezant zijn met de fiets. Benen omhoog en sjeezen maar. We eten taart in een dorpje dat heel erg zijn best deed om Duits te zijn. Bierglazen met een handvat, jodelmuziek, apfelstrüdel und lederhozen à volonté. Maar daarvoor kom ik natuurlijk niet naar Argentinië. s’ Avonds krijg ik nog een rondleiding door de studentenbuurt en de uitgaansbuurt er vlak naast. Córdoba is een echte studentenstad, en herinnert me heel hard aan Gent. Het is zeker een stad waar ik wat meer tijd zou willen doorbrengen bij mijn volgend bezoek aan Argentinië. Nu had ik maar twee dagen tijd, al waren die bomvol gevuld. Als een perfecte gastheer zetten Gabriel en zijn vrienden me af bij de busterminal en zwaaien me uit als ik weer naar Buenos Aires vertrek.